Hocus Pocus

Ik heb nooit het verlangen naar een kind gekend. Het was niet alleen een wonder dat ik op jonge leeftijd zwanger werd met alle medicatie die ik toen nam, maar ook een mirakel dat mijn dochter die eerste weken overleefde. Ik heb abortus serieus overwogen. Ik zie graag kinderen, maar heb me nooit als moeder gezien. Ik was een vrije vogel en steeds op zoek… Uiteindelijk heb ik beslist haar te houden en was ze welkom. Pas nadien startte ik mijn studies psychologie (zie ook feed back).

 

Zo anders was het bij Iseult, die na het hele medische arsenaal te hebben uitgeput, teleurgesteld achterbleef. Het werd een gevoelig onderwerp; we praatten er veel over. Ik vroeg haar waarom het voor haar zo belangrijk was; wat het voor haar betekende en wat er dan veranderde? –kinderen maken daarom niet gelukkiger-.

 

Als psychologen weten we ook hoe kinderen in het verlengde van hun ouders leven. Hoe een onverwerkt verleden, nog meer dan in partner- of liefdesrelaties, wordt geprojecteerd op de eigen kinderen. Hoe kinderen de leegte van hun ouders (moeten) invullen… en hun onvervulde verlangens naar erkenning, liefde en troost. Hoe ze onbedoeld de pijn en angsten van hun ouders triggeren. Of hoe ouders op hun kinderen onbewust wraak nemen om wat henzelf is aangedaan…

 

Toen Iseult dan plots toch onverwacht zwanger bleek, besloten we dat vooral zìj een geschenk voor de baby wilde zijn…

 

 


 

– ingezonden door BB –

 

Uw kinderen zijn uw kinderen niet

 

“En ik zei:

Mijn ouders zijn mijn ouders wel.
Zij zijn de vaders en moeders van ’s levens hunkering naar henzelf.

Zij komen door me, maar zijn niet van me,
en hoewel ze ver zijn, behoren ze me toe.

Ik mag hen mijn liefde geven, maar niet mijn gedachten,
want zij hebben hun eigen gedachten.

Ik mag niet hun lichamen huisvesten, alleen hun zielen,
want mijn ziel toeft in het huis van gisteren,

dat ik niet bezoeken kan, zelfs niet in mijn dromen…

.”

 

Mijn naam is Britney Bourreau (BB zoals Brigit Bardot), niet Bourdeau of Bordeau, maar Bourreau. Je weet wel, zoals een beul die de folteringen uitvoerde om bekentenissen af te dwingen, die opgelegde lijfstraffen uitvoerde en terdoodveroordeelden executeerde. Het zat helaas in mijn naam. Ik ben 51 jaar oud en ik heb sinds zaterdag 2 mei 1987 mijn ouders niet meer gezien. Het is nu 2017.

 

Gisteren werd me nog door Anoukske aan de telefoon gezegd: “Gij zijt toch voor het geluk geboren”, en ze had een afgunstige ondertoon in haar stem. Ja, met mijn vader had ik het goed getroffen; zo’n Super-Pa, dat is uitzonderlijk en dat heeft niemand. En dan ben ik nog de Al-beschermende Ma vergeten, iemand die beter Michelle was genoemd dan Colette… Het doet me denken aan het gedicht van Marnix Gijsen welke ik in mijn humaniora heb bewonderd als gedichtenschrijver en waarop ik jaloers was. Jaloers! Ik moet toegeven dat ik het gedicht heb verkracht. Zo’n uitzonderlijk gedicht! Maar ik moest het ‘verkrachten’. Kan je het me vergeven, Marnix? Het was te mooi, het was te perfect geschreven! Mijn vadertje was mijn vadertje. En zijn dochtertje was zijn dochtertje.

 

Mijn vadertje, hij was schijnheiligheid
Hij had de zwaren last op zich geladen,
een vader van een zoon te zijn
in woord en krachtige daad
Dat is het schone, dwaze kwaad
Waar, na ons ma, Maria Goddelief
De sterkste vrouw aan ondergaat

 

Annoukske heeft wel gelijk. Maar ze is een beetje jaloers op mij. Ik voel direct aan dat mensen jaloers op mij zijn, want ik ben vermoedelijk hoogsensitief. Ja, Anoukske, ik zal haar de volgende keer moeten uitleggen dat ‘jaloers-zijn’ een vuil beestje is. Eigenlijk ben ik nu een beetje bang geworden van Anoukske.

 

“Waarom?”

 

Wel, de verklaring is heel simpel. Zelf ben ik nooit bang, alleen voor die dingen die me niet werden aangeleerd en die ik niet ken. Want, als ik iets moet doen waarvan ik de nodige kennis niet heb, word ik bang om een vreselijk ongeluk te krijgen en misschien nadien een straf te ondergaan. Anderzijds ben ik eveneens bang voor jaloerse mensen, want daartegen heb ik me nooit kunnen beschermen. En misschien moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen dat ik eveneens bang ben om kaas te moeten eten.

 

Sinds gisteren ben ik dus banger geworden van Anoukske. Ik kan niet ontkennen dat ik nu lig te rillen. En dat ik denk dat als ik ze nu terugzie, ik haar ogenblikkelijk ga zeggen dat het MOET stoppen om zo jaloers op mij te zijn omdat ik met mijn gat in de boter ben gevallen en zij niet! Ikzelf kan er toch niets aan doen, dat mijn wiegske in het goede huis stond, ‘in de Weteringstroat, vér van achter’, zoals Fons, ‘den bakker’, ons ooit eens een kaartje schreef? Anders kunnen we geen vriendjes meer zijn. Ja, dat ga ik haar zeggen! Gedaan. FOETSIE. Even mijn vrienden-verdwijn-goocheltruuk (de VVG) toepassen, die ik heel jong ben aangeleerd. “Ons Kinjeren zén vér tgelik geboeren”, zouden ze bij ons thuis zeggen, “Want heire pa is nen toeveneir”. Woepsi! Toepsi! Foetsji! De magische toverspreuk van Casper, mijn liefste spookje, klinkt me plots in de oren.

 

Het zijn die gedachten die er steeds zijn, die geest die nooit leeg kan worden gemaakt… Want zeg nu zelf, wie kan er een levensverhaal vertellen zoals het mijne? Niemand, behalve ik.

 

 

Uw Kinderen zijn uw kinderen niet. En mijn ouders zijn mijn ouders wel. Misschien als ze dat weten, dat er nog een kans is dat ze mijn rebelse daden vergeven. Of misschien erf ik toch nog een beetje respect van hen. Zouden ze het me kunnen vergeven? Zouden ze me vergeven dat ik niet ben zoals hen? Zouden ze me vergeven dat ik niet de perfecte zoon was, maar geboren ben als dochter?

 

Mijn vader heeft ons een fantastische opvoeding gegeven, met een warm nest door het huis meermaals ‘in de fik’ te zetten en door alle kinderen te doen werken tot ze erbij neervielen. Hij die kinderen op bevel kon doen luisteren en de multifunctionele caravan uitvond. (In onze straat was er niet veel beweging in het achterste huis van de Weteringstraat, voor de velden van de Vogelenzang. De beweging zat zich in de caravan.) En die eveneens twee broers had, Jefke en Joske. ‘Joske met een wonderbaarlijk flosjke’; een kleine Willy die hij kon omtoveren tot een grote. Het was een toverstokje. Ik werd ermee gedoopt, ook al was ik reeds acht jaar en had mijn communie al gedaan. Jefke was de leider en had Joske ingelicht, denk ik, vermoed ik. Mijn zus had een pact gesloten met Jefke. Ze wilde me beschermen en hij had haar beloofd nooit hetzelfde te doen bij mij. Maar niets was minder geslaagd. Ik denk dat hij aan zijn broer, nonkel Joske moet hebben gezegd: ”Het is een makkie met uwen willy (Hocus Pocus met uwen toverstok). Het zijn brave meiskes en ze luisteren goed!” Ik had ze alle twee aan mijn been. Ik weet nog dat ze me bang maakten en zo kroop ik in hun bed van schrik. Ze klopten op het bed en vroegen mij: ”Hebt ge dat gehoord? Het zijn dieven!”

 

Mijn grootvader was op de hoogte van die rare toestanden. Dat heb ik van mijn zus. Hij kwam soms door het sleutelgat kijken… Alleen mijn broer had de aandacht van mijn ouders en hun respect. En dat is zo gebleven. Later was ik angstig bij de ontmoetingen met mijn broer. Ik probeerde de knop om te draaien, maar dat ging niet. Ik zag dat hij net op dezelfde manier reageerde zoals mijn vader. Misschien niet in slagen en verwondingen, maar in zijn verbale en nonverbale communicatie. Ik heb werkelijk alles geprobeerd om het te begrijpen. Ik heb zo veel te vertellen… Er is zoveel in mijn hersens gegrift; trauma’s, niet normale situaties….

 

Ik ben helemaal normaal

Maar jullie hadden het niet begrepen…

 

De week voor het trouwfeest van mijn broer, meld ik aan tafel dat ik niet naast de nonkels wil zitten. Mijn vader antwoordt: “Goie goatj zitten woar da kik da zeg!” en hij is rechtgesprogen, achter mij aangegaan en heeft me net ingehaald nabij de deur van de stal, waar er een betonnen vloerke was gegoten en waar later de veranda is op gebouwd. Daar heeft hij mij van achter bij de haren genomen, op de grond tegen het beton geworpen en verschillende keren mijn hoofd tegen de vloer geslagen. Hij wist van geen ophouden… Aders sprongen open in mijn ogen, de tanden die ik overhield stonden in mijn lippen…  Ik had geen lippen meer! Het was geen gezicht, mijn gezicht…

 

Daar op die plaats ben ik bijna doodgeslagen. Nadien stond mijn moeder elk half uur te wenen aan mijn bed. Mijn kamerdeur was op slot. Ze vertelde me dat ik NIEMAND mocht contacteren. Eerst moest ik bij Pa mijn verontschuldigen aanbieden. Ze smeekte mij dat te doen. Ze kon maar niet ophouden met huilen. De deur ging elk half uur open en huilend herhaalde ze dan het gebod van Pa: “Je moet vergiffenis vragen!”. Dat heb ik uiteindelijk gedaan, na drie uur. Jawel, op 22 jarige leeftijd en ingenieur bouwkunde in spé, ben ik op mijn knieën gaan zitten als een bang meisje van vier jaar, met de handen op het hoofd. En mijn vader zei; “GOI mientj da nie”. En ik heb het moeten herhalen. En hij zei: “Oit moin oeigen want ik wil a doeidslaon!”. Gans mijn gezicht was verminkt. Het enige wat mijn broer over dit gebeuren ooit aan zijn toekomstige vrouw heeft verteld: “Ons Britney zal er nie schoein oitzien op ons traafiest”… Mijn schoonzus wist pas na 29 jaar wat er was gebeurd. Ik heb het haar zelf verteld.

 

Bij de aankondiging van de zwangerschap van mijn zus heeft mijn vader haar met een fles bier geslagen. Mijn meter en nonkel Jos waren er getuigen van. Ik heb het niet gezien, maar mijn zus heeft het me verteld. Ik weet wel dat ze in de kelder is gesmeten met het licht uit. In een vuile kelder vol spinnen. En mijn zus is zo bang van spinnen…

 

De eerste herinnering die ik heb als kind, ik denk dat ik toen 4 of 5 jaar moet zijn geweest, was een kermis op de hoek. Je weet wel, op de hoek was de leerlooierij, Vergeylen. Ik weet dat het al laat was en ik graag naar bed wou, gaan slapen. Ik denk dat ik ook wat lastig moet zijn geweest want ik bleef het maar vragen. Mijn vader was boos en hij zei dat ik moest zwijgen. En ik weende als een verwend kind omdat ik moe was en naar huis wou. Na een tijdje gingen we toch naar huis en ik was zo blij. En bij het binnenkomen, zei mijn vader dat hij me nog iets wou tonen in de tuin. Ik liep mee, opgetogen met deze aangename verrassing van aandacht. Misschien kreeg ik wel iets… Achteraan in de tuin stond een treurwilg en hij haalde er een takje van. Ik moest mijn billen laten zien en hij heeft er meerdere malen op geslagen. Dat is echt het eerste dat ik me herinner.

 

Ik was wel steeds één van de beste van de klas. Ik had geen probleem met leren en leerde graag. Maar mijn ouders hebben zich nooit afgevraagd: “Wat zou ons Britney willen worden?”. De toekomst voor mij was om centen te verdienen, want we wisten niet wat geld we wel kosten! Dat hebben mijn ouders ons vaak aangewreven. We kostten geld. Nochtans, ons vader kocht alles, maar werkelijk alles waar hij zin in had. Het eerste rekentoestel was te vinden in de Weteringstraat. En kwam er een nieuw rekentoestel of camera of zelfs een kopieermachine, dan hadden we het wel! Maar zelf mochten we geen kopies nemen. Ik denk dat de kopieermachine vooral heeft gediend om mijn dagboek te polykopiëren… Toen mijn vader gelezen had wat ik toen schreef, moet hij wel woedend zijn geweest. Ik heb mijn vader vergeleken met Hiltler. Maar iedereen volgde hem, omdat ze bang waren…  of iedereen stond in bewondering voor hem.

 

“Heil(ige) Guust”

Mijn vader had wisselende stemmingen. Ik zag het al van toen hij thuis kwam. Mijn taktiek bestond erin razendsnel naar mijn slaapkamer te lopen en te studeren om me af te zonderen. Dat stond in mijn actieplan gebrand. Toen gebeurde er iets dat aan het ongelooflijke grensde. ‘Onze pa’ had in de living benzinnebedonnekes uitgegoten en hij stond klaar om de vlam erin te zetten. Mijn moeder schreeuwde het uit. Het was net voor kerstmis en ik had één van mijn moeilijkste examens, analytische wiskunde. Dat is heel abstract. Mijn broer was eveneens aan ‘t studeren. Mijn moeder bleef maar hysterisch roepen. Ik denk dat ze nooit is geslagen door mijn vader. Misschien vergis ik me, maar ik heb het nooit gezien. Toch dacht ik dat het toen gebeurde… Mijn broer is naar beneden gestormd en voor de eerste keer tegen mijn vader ingegaan. Hij heeft hem buitengezet.

 

Mijn moeder bleef non-stop huilen. Uiteindelijk zagen we mijn vader alles in de caravan inladen wat maar van enige waarde was: de bandrecorder, de Winkler Prins (gekocht aan de deur),… Ja we waren goed gedocumenteerd, maar we hadden geen tandenborstel. Vader wou steeds het nieuwste van het nieuwste. Als de buur een beter toestel had, of de nonkelkes, of om het even wie, dan moest hij wel kunnen uitpakken met nog iets nieuwer… Hij had een onvoorstelbare kooplust; voor zichzelf, niet voor ons. Alle ‘nieuwe’ brol of hoogstandjes van technologie kwamen bij ons binnen. Mijn schoonzus vertelde me tijdens die enkele leerrijke gesprekken dat ze geluk hebben dat ze een goed loon heeft, want mijn broer is eveneens zo. Alles voor de uiterlijke schijn…

 

En een zwembad! Wiens idee was dat? ‘Den bakker’! Die zei een keer: “Guust, in zo’n nen hof moetj é zwembad groaven.” Dat was Guust uitdagen. Dat was zeggen: “Dat ga je toch niet doen…”. Het was gezegd en het zou gebeuren, want Guust antwoordde: “Ok, moar ge moetj mé kommen helpen”. En de bakker kwam een keer helpen. En de rest werd uitgegraven door ons.

 

In de vakanties hadden we ook zo onze lijst van wat we moesten doen… Nagelkes recht kloppen of nagelkes kloppen in de muur elke 5 cm, of 6 of 8, en in de triplexplaten tegen het plafond. Het was warm, zo hoog in de kamer. En heet in de zomer. En al hoorden we andere kinderen op straat spelen, wij mochten niet buiten. Wel kloppen of slaan met de voorhamer, of de stal opkuisen en met onze handen in alle wanorde en metaalafval nog vijzen zoeken. Tot onze handen volledig waren beschadigd. Als het niet naar zijn goesting was, gooide hij alles weer uit op de grond en konden we herbeginnen. En bang afwachtend voor zijn thuiskomst hebben we de moeren bij de moeren gelegd, de nagelkes zonder kop bij de nagelkes zonder kop en uiteindelijk die met kop bij elkaar. Ja, hier en daar ontbrak er een vijsje…

 

Er waren ook overal nesten. De nest in de stal, een nest in huis, een nest kinderen waarvan er twee liever niet gehad [de meisjes], een nest honden (die werden niet gesteriliseerd en mijn zus vond het pupje van nonkel Jos dood in zijn vuilbak), en dan nog Britney, het verwaand nest. “Koikt sé, ons Britney”, “Madamme” of “Madamme den ingenieur” of “die slimme die denkt da ze alles wetj omda ze noar de Dams goat en de humaniora volgtj”, zo luidden mijn koosnaampjes bij ‘onze pa’. Over het algemeen willen ouders dat kinderen het beter doen dan henzelf. Bij ons was mijn vader jaloers…

 

Als ik wist dat er bezoek kwam, was ik zo gegeneerd dat ik er alles aan deed om het huis op orde te brengen. Ik wou een mooi huis, met kasten waar niet alles uitviel als je ze opendeed. Telkens ik wist dat er iemand kwam die ik belangrijk vond, trachtte ik alles op te kuisen. Ik heb gepoetst, het heeft geen naam. Mijn moeder was daar boos om. Ik denk dat ze kwaad was omdat ik steeds zei dat het wanordelijk was. Ik had een stoute mond volgens haar: “state biëst”. Ik weet dat ik van mijn vader toen eens de frigo met de tandenborstel heb moeten uitkuisen, welke IK niet zo heb achtergelaten. Mijn vader heeft dat ook moeten doen tijdens zijn legertijd… (Het spijt me, broer, dat ik IK soms in hoofdletters zet. – Hij heeft het er moeilijk mee…-)

 

Bij de laatste contacten vertelde mijn schoonzus mij dat ze aan haar zussen niet meer durfde te vertellen wat er zich allemaal afspeelt ten huize “Bourreau”. Haar zussen zullen denken dat ze gek is. Ik kon haar goed begrijpen. Ook ik heb alle situaties verborgen gehouden voor vriendinnen… Ze zouden het niet begrijpen; mijn vader was toch zo charmant! Als ze al bij ons mochten komen. Niemand mocht bij ons binnen en ik mocht nergens naartoe. Ik mocht niet naar de chiro of scouts, wat ik zo graag had gedaan, of later naar de dansgroep… Het antwoord van mijn vader: “Ouders die hun kinderen daar naartoe sturen, zijn geen goede ouders en zorgen niet voor de opvoeding van hun kinderen…”

 

Het was de bewondering die mijn vader steeds wou voor het feit dat hij ons had gemaakt tot goede werkers. Hij was niet fier op het feit dat wij het goed deden, maar dat hìj ons dat had geleerd. We moesten geen bekers, complimentjes of respect verwachten. Zo chronometreerde hij de tijd die we nodig hadden om een taak te volbrengen. De tent opstellen met alle bijhorende dingen moest altijd sneller. Efficiënter. Beter naar zijn inziens, uitgevoerd op commando. Het gebeurde met de magische toverformule van mijn vader. “Gij doet dat, doar staat dat, ezel zie de goi da nie, allé Britney, een betje rapper!” En hop het was gefikst. We werden als slaven gedrilled, opgedreven, getrained en gebrainwashed. Bij het aankomen van andere campeerders kon hij dan lachen met hun geklungel. Daar kon hij uren naar kijken en van genieten. Hij chronometreerde ook hun tijd om dan hartelijk te lachen. “Colette, kom isj koiken hoe da ze dat doen. Haha. Colette heb de da gezien? Ongeloeifelijk hé, a zekken stomme mensjen!”

 

En zo leerden we ook koken. Iedere taak was duidelijk toegewezen. Ik bakte het vlees, echter was me niet verteld hoeveel peper en zout erop moest… Ik heb wat overdreven; het was niet te eten. De ganse namiddag heb ik toen op mijn knieën met handen op het hoofd naast de vuilbakken in het midden van de camping gezeten. Ik voelde mijn knieën niet meer; ze waren versteend. Telkens ik naar beneden zakte, riep mijn vader dat ik rechtop moest zitten. Op de camping waren er ook veel Nederlanders, die hielden van de wandelwegen in Mullertal. Ze kwamen langs bij het droppen van hun vuilnis en vroegen: “Stout meisje geweest zeker?” Ja, wij waren slechteriken en leugenaars, en vooral meisjes. We waren te vrouwelijk, te dochter, te nicht, te zus!

 

In gans ons leven zijn ook mensen gekomen, die zo maar van de ene op de andere dag verdwenen. Hun vrienden of onze familie. Dat was voor ons als kind moeilijk. Mijn zus merkte het ook op. Mensen kwamen en gingen, dag in, dag uit. Met open armen ontvangen en boos weggestuurd. Voor ons was het niet te volgen. De volgende dag reeds weg, om er een week nadien terug te staan. En op elk ogenblik moesten we geloven dat mijn ouders gelijk hadden over het wegsturen of dat weer het moment daar was om ‘de vredespijp te roken’… Bij diegenen met hogere status echter, mensen die een hoog aanzien hadden of die ‘sterker’ waren dan mijn vader, gebeurde dat zelden. Ik denk niet dat hij ooit een probleem heeft gehad met vrederechter Guns. Daar kon hij niet tegenop en zal hij zich nooit abnormaal gedragen. Daar werd hij gevraagd voor zijn kennis en kunde…

 

Uren zaten we dan als kind op de bank achteraan in de auto. Vader ging vaak taakjes opknappen en dan moesten we mee. Mijn moeder werd binnengevraagd en ging mee met haar man. Wij bleven achter, in de kou, in het donker van de winteruren, in de zon zonder airco, in de regen, in de mist… Op zonnige, hete dagen deden we dan het raampje open. Het grote konden we niet naar beneden draaien; wel hadden we een klein beetje verfrissing door het klapraampje. We werden dan opgesloten tot zolang de werken duurden. Soms hadden de mensen gezien dat we achteraan in de wagen zaten en mochten we binnen. Enthousiast als we waren, kregen we dan als eerste de opmerking ”Braaf zén hé.”  Wat was dat, ‘braaf zijn’? Dat was ons niet geleerd. Soms vroegen de mensen of we iets wilden drinken. We mochten niet antwoorden en keken dan eerst naar onze ouders. Als we dan limonade kregen waren we echt blij! Dat waren immers uitzonderingen. Anders zaten we uren, misschien waren het minuten, maar voor ons als kinderen leken het uren, zomaar in de auto. Als we dan een beetje wild of opgetogen waren bij hun terugkomst, kregen we ervan langs…

 

Het was zo onrechtvaardig nooit verdedigd te worden. Misschien heb ik het daar het moeilijkst mee. Mijn moeder stond er enkel bij om ons bang te maken. Ze wist goed hoe ze ons kon doen luisteren… Ze stopte niet te zeggen: “Wacht maar als Pa thuiskomt. Ik zal het hem zeggen… Dan zullen we wel zien!” en wij kropen weg als arme schapen. Dat was de enige manier waarop ze ons kon doen luisteren. Ze had geen autoriteit, maar gebruikte en misbruikte die van mijn vader. En op die manier waren we zowel bang van haar, als van hem… Ik heb me dikwijls over mijn moeder afgevraagd: “Waarom heb je het toch nooit voor ons, meisjes, opgenomen? Handel je nog met nonkel Jef en Jos? Nu nog, nadat mijn zus en ik jullie ons grootste geheim hebben toevertrouwd?” Mijn zus vertelde me dat mijn moeder haar heeft uitgemaakt voor leugenaar…

 

Ik ben jaloers op goede moeder-dochterbanden… Ik ben jaloers op niets in het leven! Jaloers-zijn is slecht.

 

Wie is er normaal?

De knop omdraaien! Ik dacht dat ik het zomaar kon. Maar het is onmogelijk. Ik heb veel geld betaald aan psychiaters en psychologen en allen hebben hetzelfde gezegd. Ouders die zo handelen zouden geen recht op kinderen mogen hebben. “Je moet ze zien als jouw biologische ouders.” Meestal zijn de mensen die spontaan bij psychologen gaan niet de mensen die psychologen nodig hebben. Het zijn de anderen die niet gaan. Zij twijfelen nooit aan zichzelf.

 

Maar ik vrees alleen dat ‘het gen’ door mijn broer is doorgegeven aan zijn nakomelingen. Mijn schoonzus vertelde me hoe beanstigend ze dat vond. Ze had haar zoon in de auto opgemerkt en het was alsof het zijn vader zovele jaren terug was. Op dezelfde manier zat hij in de auto, met eenzelfde arrogantie. Ze beklaagde zich ook dat ze geen steun kreeg als het op studeren aankwam. Maar studeren deed mijn broer zelf ook niet graag. Hij koos steeds de gemakkelijkste weg en wou vlug veel geld verdienen…

 

Hun hondje Jerry is wel zijn trouwste fan. Je weet wel, het hondje waar mijn ouders meer tegen ‘klapten’ dan tegen mij en die zijn eigen outfit heeft van “Avalon”. Dat hondje dat door mijn moeder vertroeteld wordt en elke dag zijn ijske krijgt van de ‘crèmekar’, als hij daar gaat logeren. En waar Suzy, de dochter van mijn broer, zich serieus vragen stelt waarover haar ouders gaan praten als dat kakkenestje van een Jerrieke dood is… “Hoeveel kakjes heeft hij vandaag gelegd?” Dat wordt zelfs ge-smst naar alle familieleden. “Drie, neen, vier?”.”Vier, dat is veel sé”.  Bijzonder hoogstaand met een reukje aan.

 

Mijn schoonzus heeft leren leven met het feit dat mijn broer niks tegen mijn ouders te zeggen heeft en dat hij nog steeds gedwee luistert. Ze heeft het er moeilijk mee dat hij geen “neen” kan zeggen. Ik heb het ook moeten leren. We mochten geen “neen” zeggen thuis. We moesten onvoorwaardelijk en op bevel gehoorzamen, zoals in het leger. Ik heb geconstateerd dat mijn broer nooit oogcontact maakt. Dat is heel speciaal. Als hij praat, kijkt hij weg. Is hij onzeker of verlegen? Ik ben er niet uit. Oogcontact is toch belangrijk als je praat? Of misschien wil hij zichzelf niet blootgeven? Het is me echt opgevallen. Hij gaf me eens de opmerking:” Uw relaties in uw leven zijn geen hoogstandjes geweest!”. Charlotte, de dochter van Simonne zei dat ook eens toen ik 40 was geworden. Ze zei: “Wat heb je eigenlijk al van je leven gemaakt?”

 

Susy moet nu een assertiviteitscursus volgen.  Ze moet ook leren ‘neen’ zeggen en bij haar standpunt blijven. Niet achter mensen lopen die haar niet respecteren… Ik heb leren vliegen. Zonder enige cent van thuis (Kinderspaargeld? Woepsi! Toepsi! Foetsji!), heb ik het uiteindelijk gemaakt als ingenieur en piloot. Zelfs kampioen met de beker bij de vrouwen. Ik heb vier buiklandingen uitgevoerd en kinderen leren zweven zonder motor.

 

Om te zweven moet je heel voorzichtig zijn, nooit bruusk en heel precies. Je hebt een missie en je moet je beslissingen aanhouden. En heel nauwkeurig te werk gaan. Je moet de perfectie in je hebben, anders maak je ongelukken en sta je aan de grond… Dus ja, ik ben een goede chauffeur. Dat is misschien het enige wat mijn vader begrijpt en waardeert. Vliegen is een andere dimensie. Je moet je focus aanhouden en je stress beheersen… en dat heb ik thuis geleerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

Gepost op 1 december 2017 in Brain bursts

Deel dit bericht

Over de auteur

Hannelore van Lilid

Response (1)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top
Spring naar werkbalk